FEDERATIES
Install Magazine 987 – november 2022
Energietransitie in meergezinswoningen en kantoren: uitdagingen
Studiedag van Atic
De energiecrisis heeft de kwestie van de energietransitie in de gebouwde omgeving bijzonder scherp gesteld. Om na te gaan wat de uitdagingen en mogelijkheden waren, organiseerde Atic, de Belgische vereniging van HVAC-technici, een studiedag rond dit thema, speciaal over grotere gebouwen. Diverse experts gaven een visie vanuit verschillende hoeken, zowel qua wetgeving, energiebeleid en natuurlijk de technische mogelijkheden.
Nog veel winst te halen in gebouwen
Samuel Furfari, die een lange carrière achter de rug heeft in de Europese Commissie rond energievraagstukken, vertolkte zijn gevoel van déjà vu: de huidige gascrisis lijkt sterk op de oliecrisis van de jaren 70. Net als toen moet energiebesparing een pijler van de aanpak worden. Vooral in gebouwen is nog veel winst te halen. In landbouw en industrie is de energiedichtheid al sterk naar beneden gegaan. Gebouwen blijven daarbij achter: vele gebouwen zijn nog even gebrekkig geïsoleerd als tijdens de oliecrisissen. Zonder een grootschalige inspanning om de warmtevraag naar beneden te halen, zullen we de doelstellingen niet halen.
Energiedelen?
David Haverbeke gaf een visie vanuit juridische hoek. Het denken over hernieuwbare energie is nog te veel gericht op individuele eigenaars, terwijl een aanpak vanuit collectiviteiten meer voordelen kan leveren. Een mooi voorbeeld is de kwestie van zonnepanelen op flatgebouwen, waar een collectieve installatie al snel op reglementaire beperkingen stuit. De EU is zich daarvan bewust en heeft mogelijkheden tot energiedelen ingeschreven in de elektriciteitsrichtlijn (2019/944) en de hernieuwbare-energierichtlijn (2018/2001). In de praktijk gaat het echter traag. De invoering wordt in ons bemoeilijkt door de institutionele lasagne van federale en regionale overheden, waardoor bijvoorbeeld energiegemeenschappen over gewestgrenzen heen onmogelijk zijn. De drie gewesten bewegen aan hun eigen tempo, maar zelfs in Vlaanderen, dat qua wetgeving het verst staat, is het aantal werkelijk opgerichte energiegemeenschappen niet in verhouding tot de belangstelling van het publiek. Een reden daarvoor zijn de strenge wettelijke beperkingen, hoewel die in de loop van 2023 versoepeld zullen worden. Een belangrijkere drempel is de tariefstructuur: de winst voor de deelnemers slaat alleen op de elektriciteitsprijs, niet op de verschillende heffingen en andere taksen op de factuur. Dat is een aanzienlijke rem op de rendabiliteit van projecten.
De (on)mogelijkheden van all electric
Op de vraag ‘hoe zullen we ons in de toekomst verwarmen’, is het pasklare antwoord ‘met warmtepompen op groene elektriciteit.’ Ivan Piette rekende echter voor dat zoiets vrij utopisch is. Om te beginnen blijft het aandeel groene elektriciteit in de mix vrij beperkt. Het vermogen aan groene elektriciteit (voornamelijk zon en wind) is wel indrukwekkend (48% van de totale capaciteit), maar het beeld verandert volkomen als we kijken naar de productie. Hernieuwbare bronnen zijn slechts goed voor iets minder dan een kwart van de productie. Dat heeft alles te maken met de benuttingsgraad. Voor kerncentrales bedraagt die een kleine 97%, terwijl dat voor windturbines op zee slechts 34% is en voor PV-panelen zelfs maar 9%. Er moet dus nog heel wat gebeuren eer het huidige elektriciteitsverbruik door hernieuwbare bronnen gedekt wordt, en dan hebben we het nog niet over de stijging als gevolg van de elektrificatie van verwarming en vervoer.
Zin en onzin van warmtenetten
Veel wordt verwacht van warmtenetten. Lang niet alle gebouwen hebben immers de mogelijkheid om voldoende energie op te wekken op het eigen perceel. Een collectief systeem is dus geboden. Warmtenetten kunnen daar een oplossing vormen, net omdat ze antwoord bieden op een van de basisproblemen voor hernieuwbare energie. In dichtbebouwde omgevingen zijn de mogelijkheden voor hernieuwbare energie beperkt; denken we maar aan een torenflat met te weinig dakoppervlak voor PV-panelen en te weinig beschikbare oppervlakte voor een boorveld. Net die gevallen zijn bijzonder interessant voor een warmtenet. In zijn overzicht van de technieken pleitte Hendrik-Jan Steeman (Arcadis) ervoor om die gebouwen in de eerste plaats aan te sluiten, en ze voorrang te geven op eengezinswoningen of meer verspreide verbouwing. Wat de dimensionering betreft, was hij voorstander van de basislast te laten dekken door warmtenetten en plaatselijke piekcentrales te laten inspringen bij grote vraag. Deze laatste zouden best gasgestookt kunnen zijn. Het voordeel van een dergelijke aanpak is dat men het warmtenet optimaal kan dimensioneren om zoveel mogelijk woningen aan te sluiten. Als men een warmtenet dimensioneert op 85% van de piekvraag, verdubbelt het aantal woningen dat erop kan worden aangesloten, in vergelijking met wanneer men de vraag 100% wil dekken. De bijkomende besparing compenseert ruimschoots een eventuele plaatselijke piekcentrale op gas.
In volgende stappen kan men dan denken aan warmtenetten van de vijfde generatie, met lagere temperaturen en die ook bidirectioneel kunnen werken: de aangesloten gebouwen kunnen zowel warmte afnemen als aan het net leveren. Zo kan men zowel de warmte- als de koudevraag afdekken. Om dat zinvol te doen, moeten er wel voldoende synergiën zijn tussen de verschillende energiestromen, iets wat in de praktijk niet zo gemakkelijk is.
Financiële, economische en technische modellen
Wat concrete manieren betreft om de energietransitie te realiseren, is er al heel wat mogelijk. Bedrijven zoals Arcadis werken bijvoorbeeld CO2-roadmaps uit, waardoor industriële bedrijven CO2-neutraal of zelfs klimaatpositief kunnen worden. Met Zero Emission Solutions, omschreven als ‘tinder voor groene energie’, kunnen individuele producenten van groene energie gecombineerd worden tot virtuele energiecentrales, en in contact gebracht worden met afnemers. Dienstverlener Vinci ging in op de mogelijkheden van energiecontracten, en consultant Sébastien Belpaire toonde aan dat er meer mogelijkheden zijn voor geothermie in een stedelijke context dan men denkt. Onderzoeker Wouter Peere, verbonden aan de KU Leuven benadrukte het belang van een geïntegreerde aanpak. Er is geen ‘one size fits all’ oplossing: men moet telkens een concept ontwikkelen in functie van de situatie. Doorgaans zal dit concept gebruik maken van verschillende technieken. Systeemintegratie en een passende regeling zijn dan ook cruciaal voor een goede werking.
Door Alex Baumans











