FEDERATIES  
Install Magazine 981 – februari 2022

Decarbonisering van gebouwen

Rehva Brussels Summit benadrukt nood aan een globale aanpak

Rehva is de koepelorganisatie van de Europese verenigingen van HVAC-technici, en groepeert ongeveer 120.000 technici in 26 landen. Ons land is vertegenwoordigd via Atic. De jaarlijkse bijeenkomst in Brussel moest ook dit jaar virtueel verlopen wegens de coronamaatregelen. Een van de centrale thema’s van de debatten was de rol van gebouwen, en meer specifiek gebouwentechniek in de Europese klimaatdoelstellingen.

Decarboniseren in een totaalkader

Het is de EU menens met de klimaatdoelstellingen. In eerste instantie is er het Fit for 55 pakket, dat 55% minder uitstoot beoogt tegen 2030. Dat is nog maar een opstap voor de doelstelling om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn. Dat heeft ook zijn gevolgen voor de gebouwensector. Een sleuteldocument is hier de richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (EPBD) waarvan nu een herziening aan de gang is. Een van de thema’s op de Rehva-ontmoeting was dan ook welke beleidsinstrumenten nodig waren om de decarbonisering van gebouwen tot een realiteit te maken.

Een terugkerend thema in de uiteenzettingen was dat men de energieprestatie van gebouwen in een ruimer kader moest zien. De bestaande EPBD heeft tot een sterke verbetering van de energieprestatie geleid, maar heeft zijn beperkingen. De nadruk ligt hoofdzakelijk op de prestaties van de bouwschil en verwarming. De volgende stap moet erin bestaan om ook andere aspecten te integreren, zoals het algemene binnenklimaat: dat omvat niet alleen het thermisch comfort, maar ook de binnenluchtkwaliteit, het akoestisch comfort en de verlichting. Het Aldren-project, dat tot doel heeft om de energiezuinige renovatie van gebouwen te bevorderen, heeft hiervoor een beoordelingsinstrument ontwikkeld met de naam TAIL. Elk van de vier letters staat voor een aspect van gebouwkwaliteit: T voor thermisch, A voor akoestisch, I voor Indoor Air Quality (binnenluchtkwaliteit) en tenslotte L voor Luminous, (verlichting). In dit systeem krijgt een gebouw een score op elk van de vier criteria, waarbij de laagste score doorslaggevend is voor de totaalbeoordeling.

Verder moet men een gebouw in zijn omgeving beoordelen. Gebouwen zullen immers meer en meer ingeschakeld worden in slimme netwerken. De flexibiliteit van een gebouw zal opgenomen worden in de Smart Readiness Indicator (SRI). Naarmate de elektrificatie van het vervoer vordert, komen er ook meer raakpunten de bouwsector, met name in het gebruik van laadpalen. De elektrische auto kan dan functioneren als een extra thuisbatterij, om bijvoorbeeld de elektriciteit van PV-panelen op te slaan. Die interactie met het elektriciteitsnet en vervoer moet ook meegenomen worden in de regelgeving.

De hele levenscyclus bekijken

De huidige beoordeling van de energieprestatie van gebouwen kijkt zo goed als uitsluitend naar het energieverbruik dat ontstaat bij het gebruik van het gebouw. Dat is maar een deel van het verhaal. We moeten ook rekening houden met het energieverbruik voor de bouw zelf en voor de productie van de bouwmaterialen. Tevens moeten we kijken naar de mogelijkheden voor demontage en hergebruik van materiaal. Het idee van circulariteit wint aan belang. Dat omvat ook in welke mate het gebouw voor verschillende doeleinden kan gebruikt worden. Sommigen denken aan gebouwen die ettelijke generaties kunnen meegaan en pas na enkele eeuwen gesloopt hoeven te worden.

Dezelfde taal spreken

Een groot probleem voor het Europese klimaatbeleid is het gebrek aan onderling vergelijkbare gegevens over de energieprestatie van gebouwen. Het beoordelingssysteem verschilt van land tot land en van regio tot regio, zodat het moeilijk is om de resultaten te vergelijken. Zelfs een op het eerste zicht objectief gegeven als kWh per vierkante meter per jaar wil niet hetzelfde zeggen van de ene lidstaat tot de andere: welke oppervlakken worden meegeteld is niet overal hetzelfde, evenals wat er in aanmerking wordt genomen voor het energieverbruik. Naargelang de methodologie kan het resultaat voor eenzelfde gebouw 10 tot 15% verschillen.

Hier is een taak weggelegd voor de EU. Door een uniforme berekeningsmethode te hanteren kan men de prestatie van gebouwen zonder al te veel problemen vergelijken. Dit hoeft niet aan de autoriteit van staten en regio’s te raken. De lagere bestuursniveaus kunnen nog altijd hun eigen eisen stellen en accenten leggen, in functie van het klimaat en de bouwpraktijk. Anderzijds is bijvoorbeeld het effect van een koudebrug een kwestie van fysica, wat op exact dezelfde manier verloopt, ongeacht in welk land die koudebrug zich bevindt. Het is dus nergens voor nodig om aparte berekeningsmethodes per lidstaat of regio te hebben. Als de EU een daadkrachtig klimaatbeleid wil voeren, dan moet er een manier zijn om het effect van dat beleid te meten en te beoordelen. Gestandaardiseerde data zijn een noodzakelijke voorwaarde.

De maatschappelijke dimensie

Twee aspecten die los stonden van de bouwtechniek, werden herhaaldelijk aangehaald, maar kregen weinig concrete invulling. Een eerste aspect is het sociale: wat betekent dit allemaal voor de levenskwaliteit en de levensstandaard van de mensen die de woningen gebruiken? Gebouwenbeleid is onvermijdelijk ook sociaal beleid. Het komt erop aan om de energietransitie rechtvaardig door te voeren, zodat er niemand in de kou blijft staan. Hoe dat precies moet verlopen, is nog niet meteen duidelijk.

Een ander aspect is de praktische haalbaarheid van dat alles. Om de doelstellingen te bereiken, moet het huidige renovatietempo zeker verdubbelen. Er werd herhaaldelijk gewezen op de noodzaak om de capaciteit van de sector op te drijven, maar hoe dat dan concreet moet, blijft vaag. Hetzelfde geldt voor de scholing in de nieuwe technieken. Ook hier is er een grote behoefte, die slechts heel gedeeltelijk wordt ingevuld.

Nochtans zullen beide aspecten doorslaggevend zijn voor het welslagen van de Europese plannen.

Door Alex Baumans

www.rehva.eu