FEDERATIES  
Install Magazine 973 – november 2020

Vlaamse nieuwbouw op weg naar BEN-norm

Virtueel VCB-energiecongres ziet energietransitie als kans voor relance

Zoals vele evenementen van het voorjaar was ook het Energiecongres van de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) eerst uitgesteld en dan omgevormd tot een online versie. De verschillende uiteenzettingen werden gegeven in een reeks webinars. De boodschap van de VCB is duidelijk: we moeten volop investeren in de energietransitie om uit het slop van de coronacrisis te komen.

Op weg naar BEN

Luc Peeters, administrateur-generaal van het VEA leverde naar goede gewoonte commentaar bij de cijfers van de EPB- en EPC-aangiftes. Voor nieuwbouw blijft de trend van de afgelopen jaren zich doorzetten: het gemiddelde E-peil blijft dalen en ligt steevast een stuk onder de wettelijke eisen. Voor vergunningsjaar 2017 was het gemiddelde E-peil E24, terwijl de eis op E50 lag. Dat wil ook zeggen dat in 2017 het gemiddelde al onder de BEN-grens van E30 lag. Voor vergunningsjaar 2018 zijn er nog te weinig aanvragen binnen om een betrouwbaar beeld te geven, maar alles wijst erop dat we voor 2018 zullen uitkomen op ongeveer 80% woningen met E30 of lager. Vergeleken met de beginjaren van het congres, toen er nog maar amper enkele procenten van de woningen beantwoordden aan de eis, is er een hele weg afgelegd. De doelstelling om in 2021 alle nieuwe gebouwen volgens de BEN-norm te bouwen, lijkt daarmee binnen bereik.

Renovatie als uitdaging

De grote uitdaging blijft echter de renovatie. De doelstelling is om tegen 2050 alleen nog energiezuinige en duurzaam verwarmde gebouwen te hebben. Voor woningen betekent dit een A-klasse EPC, waar het gemiddelde in 2019 nog een D-klasse was. Voor niet-woongebouwen ligt de lat nog hoger: daar mikt men op koolstofneutraliteit tegen 2050. Dat wordt een hele klus. Op dit ogenblik heeft ongeveer 3,5% van de woningen een EPC met A-klasse. Dat wil dus zeggen dat de overige 96,5% in de komende 30 jaar minstens één keer gerenoveerd moeten worden.

Om dat te bereiken, moeten we volop inzetten op de zogenaamde ‘sleutelmomenten’. Dat zijn de momenten waarop er een wijziging optreedt in de situatie van het pand, zodat er een gelegenheid ontstaat om een renovatie uit te voeren. Typische gelegenheden zijn een eigenaarswissel, hetzij door verkoop of door erfenis of schenking, een huurderswissel, verandering van bestemming, leegstand... Als deze momenten systematisch aanleiding geven tot energiezuinige renovatie, komen we al een heel eind.

Daarnaast moeten eigenaars ook aangemoedigd worden om buiten deze sleutelmomenten tot renovatie over te gaan. Dat kan door directe financiële maatregelen, zoals renteloze leningen of een korting op de onroerende voorheffing. Bovendien moeten die systemen klantvriendelijk worden. Daarom streeft de Vlaamse overheid naar een enkele overkoepelende woningrenovatiepremie die geregeld wordt vanuit een enkel loket.

Energietransitie voor relance

Zowel vanuit het VEA als de VCB wordt gewezen op de positieve effecten van een investering in de energietransitie. Dit is niet alleen een aanzienlijke stimulans voor de economie, die kan bijdragen tot een relance na de coronacrisis. Het is ook een zinvolle investering voor de eigenaar van de gebouwen. Marc Dillen van het VCB wijst erop dat men zich niet mag beperken tot de terugverdieneffecten. Investeren in toekomstbestendigheid geeft het gebouw ook een meerwaarde, die doorgaans groter is dan het geïnvesteerde bedrag. Dat kan vele woningeigenaars over de streep trekken om tot een renovatie over te gaan ook buiten de sleutelmomenten.

Energiegemeenschappen?

Een van de thematische webinars ging in op lokale energiegemeenschappen. Die moeten een antwoord bieden op een fundamenteel probleem van het huidige systeem van de decentrale opwekking van groene energie, namelijk dat alles grotendeels beperkt blijft tot binnen de perceelgrens. De problematiek stelt zich het scherpst bij PV-installaties: die zijn kunnen nu namelijk alleen maar aangesloten worden op een enkele teller. Voor een gegeven perceel is echter weinig verband tussen het daadwerkelijk verbruik en de mogelijkheden om fotovoltaïsche stroom op te wekken. Een grootverbruiker kan een klein of slecht gesitueerd dak hebben, terwijl een ander gebouw ruime mogelijkheden kan hebben om PV-panelen te zetten, maar slechts een beperkt verbruik. Een ander voorbeeld zijn flatgebouwen, waar een gemeenschappelijke installatie alleen voor de gemene delen kan dienen, en niet voor de bewoners.

Lokale energiegemeenschappen zijn organisaties die het mogelijk moeten maken om installaties voor duurzame energie collectief uit te baten. Dat hoeft niet beperkt te zijn tot PV, men kan ook denken aan lokale warmtenetten of biogasproductie. De EU is zich van deze problematiek bewust, en heeft de mogelijkheid om dergelijke gemeenschappen op te richten ingeschreven in twee richtlijnen: de vierde elektriciteitsrichtlijn en de hernieuwbare energie-richtlijn.

Nog niet voor morgen

Hoe dergelijke gemeenschappen er in de praktijk zullen uitzien, is voorlopig nog koffiedik kijken. De Europese richtlijnen geven een kader, maar dat moet omgezet worden in plaatselijke wetgeving. Voor België is dat een regionale bevoegdheid, zodat we aankijken tegen drie regelingen. Bovendien zijn er twee Europese richtlijnen, elk met hun eigen toepassingsgebied: de elektriciteitsrichtlijn is uiteraard beperkt tot elektriciteit en onderscheidt ‘gezamenlijk optredende actieve afnemers’ en ‘een energiegemeenschap van burgers’ als mogelijke vormen van lokale energiegemeenschappen. De hernieuwbare energie-richtlijn heeft een parallelle indeling, maar slaat op alle vormen van hernieuwbare energie. Deze richtlijn spreekt van ‘gezamenlijk optredende zelfverbruikers van hernieuwbare energie’ en ‘hernieuwbare energiegemeenschap’. De Vlaamse overheid heeft al van diverse kanten advies gekregen over de manier waarop die richtlijnen best worden ingevoerd. Het blijft echter wachten op een regeringsbeslissing, om te weten hoe de regeling er concreet zal uitzien.

Al enkele initiatieven

Ondertussen wordt er niet stilgezeten, en zijn de eerste proefprojecten een feit. Dat kan gaan over samenaankoop en verhandeling van energie, of het uitbaten van een gezamenlijke infrastructuur zoals een wijkbatterij of een warmtenet. Wallonië toont zich erg proactief op dit gebied en ook in het buitenland zijn er voorbeelden. Tot de Europese richtlijnen zijn omgezet, kunnen dergelijke initiatieven wel alleen opereren in een uitzonderingsregeling.

Wat dat laatste betreft, moet worden opgemerkt dat het Vlaamse begrip ‘regelluwe zone’ erg relatief is op te vatten. Men is misschien wel vrijgesteld van enkele regels, maar er blijven nog tal van beperkingen en verplichtingen van kracht.

Tenslotte is er nog een bedenking van Fluvius. Op het vlak van netbeheer is er de afgelopen decennia een beweging geweest naar schaalvergroting en concentratie om uiteindelijk te komen tot een enkele netbeheerder. Als men nu terug wil naar een meer verbrokkeld landschap, met lokale netten op wijkniveau, moet men zich afvragen of de zoektocht naar nieuwe kansen de bestaande verworvenheden niet op de helling zet. Aspecten zoals solidariteit en stabiliteit hebben ook hun waarde. Lokale energiegemeenschappen moeten niet alleen voordelen opleveren voor de deelnemers, ze mogen ook geen nadelen betekenen voor wie er niet aan deelneemt.

Door Alex Baumans

www.vcb.be