WETGEVING
Install Magazine 964 – oktober 2019
Vlaamse Woonsurvey 2018 over verwarmen en energie
In het kader van de Vlaamse Woonsurvey 2018 werden een drieduizendtal gezinnen bevraagd, in opdracht van het Agentschap Wonen-Vlaanderen. Dit onderzoek werd methodologisch begeleid door het Steunpunt Wonen. Het is de opvolger van het Grote Woononderzoek 2013 en de Woonsurvey 2005. Deze vorige campagnes dienden als vergelijkingspunt. De resultaten van de Woonsurvey 2018 werden gebundeld in het rapport Wonen in Vlaanderen anno 2018 van Kristof Heylen en Lieve Vanderstraeten. Het onderzoek omvat een brede waaier van aspecten die met wonen te maken hebben. We beperken ons vooral tot verwarming en energiegebruik.
Energiezuinigheid, een kwestie van budget
Of het nu gaat over energiezuinige ketels, aanwezigheid van isolatie of gebruik van hernieuwbare energie, een vaststelling loopt als een rode draad doorheen alle aspecten: het gezinsinkomen bepaalt in grote mate de woonkwaliteit en het technologisch peil van de installatie. Dat is misschien een waarheid als een koe, maar dit aspect wordt wel eens uit het oog verloren in de toekomstvisies over de energietransitie. Hoe performant of technologisch aantrekkelijk een ingreep ook moge zijn, als de eigenaar de investering niet kan opbrengen, zal die nooit uitgevoerd worden. Als de overheid wil dat de kwaliteit van de installaties verbetert, dan zullen de eigenaars daar eerst de middelen voor moeten hebben.
Verschil tussen eigenaars en huurders
België is een land van huiseigenaars, wat bevestigd wordt door dit onderzoek: men komt uit op ongeveer 72% eigenaars, 19% privé-huurders, 7% sociale huurders en 2% gratis bewoners. Hier is een tweede kloof op te merken, namelijk tussen eigenaars en huurders. Zo maakt 21% van de eigenaars gebruik van hernieuwbare energie, tegenover 3% van de huurders. Dit effect vindt men terug bij andere aspecten van energiezuinigheid (isolatie van de bouwschil, leidingisolatie...). Wil men de huurders niet in de kou laten staan, dan moet investeren in energiezuinigheid aantrekkelijker worden voor verhuurders. Een brute moderniseringsverplichting invoeren, kan averechts uitpakken, bijvoorbeeld omdat het hogere huurprijzen in de hand kan werken. Tevens kan een daling van de opbrengst van investeringen in huurwoningen ertoe leiden dat investeerders zich uit de vastgoedmarkt terugtrekken.
Verschillen tussen woningtypes
Een opvallende vaststelling is dat moderne technieken, zoals zuinige CV-ketels vooral worden aangetroffen in nieuwe woningen, of net in heel oude. Voor de nieuwe woningen is dat weinig verrassend, gezien de steeds scherpere energieprestatie-eisen van de afgelopen jaren. Dat de oudste woningen relatief moderne installaties hebben, heeft er alles mee te maken dat deze woningen na een verkoop meestal grondig gemoderniseerd worden. Woningen uit de jaren 60 tot 80, daarentegen, krijgen doorgaans een minder ingrijpende renovatie, en wordt het minder nodig geacht om de installatie te vernieuwen.
Systemen voor hernieuwbare energie, in de eerste plaats PV-panelen en warmtepompen, zijn vooral afgestemd op de klassieke eengezinswoning. Dat blijkt ook uit de cijfers: 20% van de eengezinswoningen is uitgerust met een systeem dat hernieuwbare energie opwekt, tegenover 3% van de meergezinswoningen. Nochtans is er op de markt een duidelijke verschuiving te merken ten voordele van appartementen. Er zullen dus aangepaste technische oplossingen moeten komen, en -minstens even belangrijk- een aangepast reglementair kader, wil men de klimaatdoelstellingen halen.
Dit is slechts een kleine greep uit de schat van gegevens in het rapport. Wie alles wil nalezen, kan terecht op de website van het Steunpunt Wonen.
Door Alex Baumans









