FEDERATIES  
Install Magazine 955 – november 2018

EHI blikt vooruit naar 2050

Conferentie van de Europese verwarmingssector over een koolstofarme toekomst

Voor iedereen die met energie te maken heeft, is het ordewoord: decarboniseren. De doelstellingen op lange termijn van de EU zijn bekend: tegen 2050 moeten we 90% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. We gaan, met andere woorden, naar een koolstofarme maatschappij, een proces dat ook wel decarbonisatie genoemd wordt. De uitdaging is enorm, zeker voor de verwarmingssector. Niet alleen vertegenwoordigen gebouwen een aanzienlijk deel van het primaire energieverbruik; er is bovendien een enorm park van verouderde toestellen. Om te verkennen hoe zo een koolstofarme toekomst eruit kon zien, organiseerde EHI, de Europese vereniging voor de verwarmingsindustrie, een conferentie in Brussel.

Het Europese verwarmingslandschap

Op de conferentie #Build2050 kwamen sprekers met diverse achtergronden aan bod, niet alleen uit de verwarmingsindustrie zelf, maar uit andere sectoren, zoals ontwerp, installatie, energie, isolatie en financiën. Daarnaast waren ook Europese politici vertegenwoordigd. In een openingssessie gaven EHI-voorzitter Klaus Jesse (Vaillant Group) en Hans van Steen (Europese Commissie, DG Energie) een stand van zaken.

EHI groepeert 41 vooraanstaande fabrikanten van verwarmingsmateriaal en 12 nationale sectorverenigingen. De vereniging vertegenwoordigt het overgrote deel van de markt voor een brede waaier van technieken: fossiele brandstoffen, biomassa, hydronische warmtepompen, zonnethermie... De totale omzet van de leden is 24 miljard euro.

De voornaamste vaststelling is dat het niet schitterend gesteld is met het toestellenbestand. De EU25 (de EU zonder Cyprus, Luxemburg en Malta) telt ongeveer 126 miljoen verwarmingstoestellen; 59% daarvan zou een energielabel hebben van C of slechter. Er is dus een enorme inhaalbeweging nodig. De vervangingsratio bedraagt echter slechts 3,6%, onvoldoende om de doelstellingen te halen. Nochtans is ketelmodernisering een efficiënte manier om het energieverbruik te doen dalen. Tien jaar geleden werden condensatieketels verplicht bij vervanging of nieuwbouw in Groot-Brittannië. Ondertussen is het gasverbruik er met de helft gedaald. Dat is natuurlijk niet uitsluitend tot die maatregel terug te voeren, maar het heeft zeker tot de energiebesparing bijgedragen.

De Europese Commissie heeft ambitieuze doelstellingen, met een eerste deadline in 2020, gevolgd door strengere eisen in 2030 (32,5% meer energie-efficiëntie en 32% hernieuwbare energie) om dan uiteindelijk te landen in een koolstofarme maatschappij van 2050. De Europese Unie moet een pionier blijven als het op klimaatneutrale techniek aankomt. De drie sleutelinstrumenten zijn daarbij de richtlijn voor hernieuwbare energie, de richtlijn voor energiegerelateerde producten (die onder meer ecodesign en het energielabel overkoepelt) en uiteraard de richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen.

Daarnaast duiken er nieuwe uitdagingen op. Een recente ontwikkeling is de groei van connectiviteit en het internet der dingen, waar de vernieuwde EBP-richtlijn op inspeelt met de ‘smartness indicator’. Andere nieuwe trends zijn de opkomst van een circulaire economie en van waterstof als energiedrager. Ook die aspecten moeten meegenomen worden in de koolstofarme economie.

Een zilveren kogel of een schot in de voet?

Een eerste panel ging dan in op de technische aspecten van de energietransitie. De sprekers benadrukten dat de toestand complex is, en dat men dus niet op een mirakeloplossing moet hopen. Zoals Jean-Marc Leroy (Engie) het uitdrukte, wie zoekt naar een zilveren kogel, riskeert om zichzelf in de voet te schieten. Hij haalde het voorbeeld aan van Frankrijk, waar men sterkt heeft ingezet op de elektrificatie van de verwarming. In de huidige energiemix is in de winter slechts 20% van de elektriciteitsproductie duurzaam. Met andere woorden, net wanneer de productie het meest vervuilend is, is ook de vraag het hoogst.

Men mag zich ook niet laten verleiden door geïdealiseerde scenario’s. In de modellen voor de toekomstige energie voert men graag het gezin van vier personen op, in een huis met een tuin en een elektrische SUV voor de deur. Lang niet iedereen past echter in dat profiel. Het is de uitdaging om een energiesysteem te bouwen waar er plaats is voor iedereen.

Diverse sprekers legden ook de nadruk op het potentieel van biogas. Eva Henning (Thüga) stelde in dit verband dat een doorsnee verwarmingsinstallatie in een handomdraai koolstofneutraal kan worden gemaakt, gewoon door een overschakeling op biogas. Dat laatste heeft twee belangrijke implicaties voor de Europese economie. Ten eerste kan men gebruik blijven maken van de bestaande gasinfrastructuur, waardoor men aanzienlijke investeringen vermijdt. Ten tweede kan de productie van biogas een onderdeel vormen van een steunmechanisme voor de landbouw. Dat kan een uitkomst bieden voor landelijke gebieden.

Over de rol van subsidies en de overheid was men het over het algemeen eens: subsidies moeten dienen om technieken marktrijp te maken, maar niet om ze kunstmatig rendabel te houden. Het is belangrijker dat de overheid een langetermijnvisie heeft. Een stop-and-go beleid is nefast voor de markt en voor het consumentenvertrouwen.

De slimme toekomst

Het tweede panel boog zich over de rol van slimme gebouwen. Een eerste vraag is wat men wil zeggen met ‘slim’. De term wordt vooral gebruikt door de IT- en de elektrische sector, maar in hoeverre is een gebouw met allerlei sensoren en zenders werkelijk ‘slim’ te noemen? In gebouwen bestaat de echte connectiviteit erin dat de verschillende technische systemen met elkaar kunnen samenwerken. Bovendien verandert het gebruik van een gebouw met de tijd. Een slim gebouw moet in staat zijn om aangepast te worden aan de omstandigheden. Bertrand Schmitt (BDR Thermea) onderstreepte dat techniek zijn eigen dynamiek heeft. Veertig jaar geleden dacht niemand aan het internet en nog minder aan smartphones, terwijl die nu niet meer weg te denken zijn. Toekomstplannen zijn nog veel te veel een zaak van politici en ingenieurs die menen te weten wat de bevolking nodig heeft, terwijl de echt doorslaggevende marktontwikkelingen soms onverwachte richtingen inslaan.

Politieke aspecten

Het derde panel herinnerde eraan dat de energiekwestie ook politieke aspecten heeft. Zo is er een sociale dimensie. Miljoenen Europeanen leven in energie-armoede. De energietransitie mag deze mensen niet in de kou laten staan. Een punt dat misschien minder aan bod komt, is het aspect van buitenlandse politiek. Zo betekent het grote verbruik van Russisch gas een objectieve steun in de rug voor een regime met een buitenlands beleid dat niet altijd strookt met de visie van de EU. Meer duurzaamheid betekent ook minder afhankelijkheid voor de EU. Tenslotte zijn er intra-Europese spanningen. Met name in de voormalige Oostbloklanden staat de klimaatkwestie minder hoog op de agenda dan in het Westen. Dit zou kunnen uitgroeien tot een splijtzwam in de EU. Willen we tot een koolstofarme economie komen in 2050, zal er voor al deze aspecten een antwoord moeten komen.

Door Alex Baumans

www.ehi.eu