CONGRES  
Install Magazine 1000 – oktober 2024

Warmtepompen als onderdeel van een netwerk

17de Warmtepompsymposium kijkt naar de stedelijke context

Het symposium van het warmtepompplatform brengt alle betrokken partijen samen, niet alleen de industrie, maar ook overheden en kennisinstellingen. In de loop van de jaren hebben we de focus zien verschuiven. Waar de eerste edities voornamelijk op de technische aspecten gericht waren, is de aandacht opgeschoven naar het beleid en de algemene context. Warmtepompen kunnen immers niet los gezien worden van de energietransitie in het algemeen. Daarom was het thema van deze editie ‘duurzame warmte voor de stad’. Warmtepompen kunnen alleen succes hebben als ze geïntegreerd worden in een totaalaanpak voor decarbonisatie van de gebouwde omgeving.

Alles hangt af van het beleid

De verschuiving van de focus was duidelijk aan het programma te zien: de hele voormiddagsessie was aan beleidsaspecten gewijd. Dat is niet toevallig: of warmtepompen al dan niet doorbreken op de markt, hangt af van de juiste randvoorwaarden. De belangrijkste daarvan is de zogenaamde ‘spark price’, de prijsverhouding tussen gas en elektriciteit. Dat deze behoorlijk scheef zit in België, is ondertussen algemeen bekend. Zolang daar niets aan gebeurt, zal de warmtepomp ter plaatse blijven trappelen. Een betere verhouding tussen de gas- en elektriciteitsprijs is echter maar een deel van de puzzel. Er is ook een duidelijk beleid nodig voor het uitfaseren van fossiele brandstoffen. Verder moeten administratieve hinderpalen uit de weg geruimd worden. Al te veel eigenaars starten vol goede wil aan een renovatieproject, om het na een tijd op te geven omdat de rompslomp hen te veel wordt.

Warmtepompen in netwerken

Verschillende steden in Vlaanderen zijn voortrekkers in de energietransitie. Dat zoiets op stedelijk niveau gebeurt, lijkt voor de hand liggend. Net in een stedelijke omgeving zijn de uitdagingen het grootst, omdat daar een aantal aspecten samenkomen (energieverbruik, mobiliteit, woonomgeving….) In de praktijk is dat minder evident, want steden hebben weinig bevoegdheden terzake. Dat steden zoals Gent, Leuven of Antwerpen een pioniersrol willen opnemen, heeft dus minder te maken met een mandaat van de Vlaamse overheid als met de ambities van de stadsbesturen om de lokale omgeving te vergroenen. Door de aanpak op stedelijk niveau te steunen, zou de Vlaamse overheid de energietransitie een duw in de rug kunnen geven.

Uit de presentaties van de vertegenwoordigers van de steden kwam duidelijk naar voor dat een collectieve aanpak het meest veelbelovend is. Er kunnen schaalvoordelen gerealiseerd worden, wat de energietransitie meteen ook haalbaar maakt voor de sociaal zwakkeren. Over de concrete omzetting van die collectieve aanpak zijn de meningen de afgelopen jaren veranderd. Waar men aanvankelijk vooral dacht aan grootschalige warmtenetten die gevoed werden door restwarmte uit de industrie, stapt men nu veel meer over op lokale netten op wijkschaal die gebruik maken van natuurlijke warmtebronnen. Deze laatste zijn dan in de eerste plaats de bodem of oppervlaktewater, waarbij de brontemperatuur door middel van warmtepompen verhoogd wordt tot het gewenste niveau. Of het daarbij om een centrale stookplaats gaat die een aantal gebouwen van warmte voorziet, dan wel een collectieve bron die benut wordt door individuele warmtepompen in de gebouwen, valt nog te bezien. Vast staat in elk geval dat warmtepompen en warmtenetten complementaire technieken zijn om tot de decarbonisering van stadscentra te komen. Op die manier beperkt men ook de problemen rond de plaatsing van buitenunits, wat zeker in historische stadskernen niet altijd eenvoudig is.

Drempels verwijderen

Vanuit de sector worden inspanningen gedaan om diverse drempels voor de grootschalige invoering van warmtepompen weg te werken. Een concreet resultaat zijn twee publicaties van het Departement Omgeving om geluidshinder door lucht-water warmtepompen tegen te gaan. Ze kwamen tot stand door een brede samenwerking tussen de overheid, sectororganisaties en kennisinstellingen. Een eerste is een code van goede praktijk voor het geluid van buitenunits van residentiële lucht-water warmtepompen en airco-installaties en een tweede is een leidraad over de regelgeving rond dergelijke toestellen. De code van goede praktijk is een installatiehandleiding voor vakmensen. De leidraad behandelt aspecten zoals vergunningen en milieuhinder, en is bestemd voor administraties als basis voor beleid.

Daarnaast wordt er ook gewerkt aan een code van goede praktijk rond boringen op het openbaar domein. Als we gebruik gaan maken van gemeenschappelijke boringen, hetzij direct, hetzij via warmtenetten, dan zijn er richtlijnen nodig over wat technisch haalbaar en zinvol is. Bovendien moet uitgeklaard worden hoe deze netten te integreren zijn met het bestaande gebruik van het openbaar domein, inclusief de reeds aanwezige nutsleidingen in de ondergrond. Dit document moet daar een antwoord op bieden.

Warmtepompen en het elektrisch net

De toenemende elektrificatie en overschakeling op hernieuwbare energie leidt tot extra belasting van het elektriciteitsnet. In Nederland weten ze maar al te goed wat netcongestie betekent. Warmtepompen worden gezien als een mogelijke oplossing. Ze kunnen immers elektrische energie opslaan als warmte en om zo de verbruiks- en productiepieken beter op elkaar af te stemmen. Dat zoiets mogelijk is, is al lang bekend: de vraag is echter, wat levert het op in de praktijk? Resultaten van de onderzoeksprojecten Thermi-var en Flexsys brachten daar meer duidelijkheid in.

Uit het Thermi-Var project bleek dat er wel degelijk winst te halen was, maar dat die onder de huidige omstandigheden in absolute cijfers eerder klein uitviel. De hoge efficiëntie van een goed ontworpen warmtepomp is paradoxaal genoeg hier een nadeel. Door de warmtepomp niet langer te sturen in functie van een optimale werking, maar bijvoorbeeld in functie van de stroomprijs, zal het rendement dalen. Dat hogere energieverbruik kan de winst door de lagere stroomkosten teniet doen. Om gezinnen te overtuigen van in een dergelijke regeling te stappen, zijn er dus flankerende maatregelen nodig.

Het Flexsys-project peilde naar het potentieel van externe sturing van warmtepompen in functie van netbalancering. Daarbij werd de installatie van een aantal gezinnen (die zich vrijwillig kandidaat hadden gesteld) opgestart en stilgelegd in functie van de noden van het net. Die metingen werden dan geëxtrapoleerd naar de verwachte toestand voor België in de toekomst. Uit die berekeningen bleek dat het massaal sturen van warmtepompen in belangrijke mate kan bijdragen om eventuele stroomtekorten te vermijden, terwijl het comfortverlies binnen de perken blijft.

Het beleid is nu duidelijk aan zet. Over de technische mogelijkheden van warmtepompen kan geen twijfel meer bestaan. Het komt er nu op aan om een kader te creëren waarin de energietransitie ook economisch zinvol wordt. Tevens blijkt dat een collectieve aanpak op wijkniveau veelbelovend is. Hier ligt een taak voor de volgende Vlaamse regering om dat potentieel te benutten.

Door Alex Baumans

www.warmtepomp.ode.be