EVENEMENTEN  
Install Magazine 981 – februari 2022

Brede waaier aan onderwerpen op de Cool&Comfort Happening

Met de energietransitie en de coronacrisis groeien ook de uitdagingen voor de vaklui. Om de professionals te helpen om een antwoord te vinden op hun vele vragen, behandelden diverse experts in het kader van de Cool & Comfort Happening een reeks uiteenlopende onderwerpen. We citeren er enkele.

CO2 als grondstof

Een duurzame toekomst veronderstelt het hergebruik van afvalstoffen. Sarah Van Erdeweghe (Engie/Equans) gaf een voorbeeld hoe dat in de praktijk kon, aan de hand van CO2-captatie bij de productie van bio-ethanol. Dat laatste is een biobrandstof die gewonnen wordt uit vergistingsprocessen van biomassa. Bij die processen komt CO2 vrij. Traditioneel verdwijnt die in de atmosfeer, waar het bijdraagt tot het broeikaseffect. Als men die CO2 echter opvangt, zuivert en afkoelt om ze vloeibaar te maken, kan men de stof een tweede leven geven in toepassingen zoals voeding, serreteelt of koeltechniek. Zo wordt het een grondstof in plaats van een afvalstof.

Collectieve warmtepomptoepassingen

Individuele warmtepompen per wooneenheid inzetten in de collectieve bouw is minder evident. Individuele boringen zijn uitgesloten, en dikwijls raakt men ook buitenunits voor split toestellen moeilijk kwijt. Een gevel of een dak vol zetten met lucht-water of DX buitenunits is niet bepaald een haalbare kaart. Anderzijds maken appartementen ruim een vijfde van de woningen in Vlaanderen uit, en dat percentage neemt jaar na jaar toe. De uitdaging is bijzonder groot in de bestaande bouw: slechts 2% van de woningen is aangesloten op collectieve verwarming. Anders gezegd, er staan heel wat gaswandketels in appartementen. In het kader van de energietransitie moet daar een oplossing voor gevonden worden.


Centrale stookplaatsen met warmtepompen zijn dan een oplossing. Ivan Verhaert (Universiteit Antwerpen) vergeleek vier installatieconfiguraties. Een voor de hand liggende mogelijkheid is om alleen de verwarming centraal te voorzien, met individuele elektrische SWW-productie. Dat heeft een aantal praktische voordelen. De verwarmingskring kan aan een lage-temperatuurregime werken, ideaal voor het rendement van de warmtepomp. Bovendien kan men overschakelen op koeling in de zomer, zonder dat dit problemen oplevert voor de SWW-productie. Een nadeel is het beperkte rendement van directe elektrische boilers. Men kan dit opvangen door over te schakelen op warmtepompboilers, maar dat is bouwtechnisch niet altijd mogelijk, zeker in de bestaande bouw. In grotere flatgebouwen moet men er ook op letten dat het totale elektrisch aansluitvermogen binnen de perken blijft.


Een andere optie is een combilus op voldoende hoge temperatuur voor SWW-productie. Dit heeft de gekende voordelen van een centrale stookplaats, zoals langere looptijden en lagere geïnstalleerde vermogens door gelijktijdigheidsfactoren. Anderzijds zijn er de distributieverliezen door een circulatieleiding op hoge temperatuur. Men kan die beperken door te werken met variabel debiet, en door een thermostatisch overstortventiel te plaatsen aan het eind van het primaire circuit. Dat laatste zorgt ervoor dat alleen de vertrekleiding op hoge temperatuur wordt gehouden en de retourtemperatuur laagt blijft. Specifiek voor een warmtepompinstallatie is er de vraag hoe men hoge temperaturen kan aanhouden met voldoende rendement. Hybride opstellingen met een ketel kunnen hier uitkomst bieden. Bovendien komen er meer en meer warmtepompen op de markt die ook hogere temperaturen kunnen leveren aan een interessant rendement.


Een derde optie is te werken met een dubbele circulatieleiding, een voor verwarming en een voor SWW. Dit heeft de verwarmingstechnische voordelen van de eerste, met het betere rendement van een centrale SWW-productie. Installatietechnisch is het complexer, omdat men met een vierpijps systeem werkt. Bovendien moet men rekening houden met legionellamaatregelen voor de SWW-circulatie.


Een vierde systeem is een lage-temperatuur circulatieleiding voor verwarming, met telkens een booster water-water warmtepomp voor SWW. Dat heeft het voordeel van eenvoud van aansluiting en een SWW productie met een hoger rendement. Een kanttekening hierbij is dat het rendement van het collectief verwarmingscircuit omgekeerd evenredig is met dat van de SWW-productie. Hoe hoger de temperaturen in het primair circuit (en dus lager rendement in de centrale stookplaats), hoe efficiënter de booster warmtepompen gaan werken, en vice versa. Voor een optimaal ontwerp moet men dus rekening houden met het relatieve belang van verwarming tegenover warmwatercomfort.


Dit zijn niet de enige mogelijkheden, men kan ook denken aan een collectieve boring met lage-temperatuur warmtenet. Maar op dat ogenblik heeft men terug individuele warmtepompen per appartement, en dus eigenlijk een decentraal systeem.

Ventilatie en corona

De uiteenzetting van Peter Wouters (WTCB) was wellicht de meest actuele. We weten dat het coronavirus zich via aerosols in de lucht verspreidt. Afdoende ventilatie is dus nodig om de concentraties onder aanvaardbare drempels te houden. Daarbij dient wel opgemerkt dat er geen absoluut veilige grens is, men kan alleen het risico op besmetting reduceren. Ventilatie moet dus gezien worden als een onderdeel in een reeks maatregelen, waar ook onder meer vaccinatie en mondmaskers deel van uitmaken.


De vraag is dan: hoeveel moeten we ventileren? Een goede maat voor nood aan ventilatie is het CO2-gehalte. We ademen allemaal ongeveer twee emmers (19 l) CO2 per uur uit, dus hoe meer CO2 in een ruimte, hoe meer uitgeademde lucht. Het zou natuurlijk beter zijn om direct virusconcentraties in de lucht te meten, maar dat is een complexe kwestie. Een andere mogelijkheid is om de ventilatiedebieten te meten, maar ook dat is omslachtig. CO2-meters zijn daarentegen goedkoop, gemakkelijk te gebruiken en maken een continu bewaking van de luchtkwaliteit mogelijk.


De Codex voor het Welzijn op het Werk (2019) gaat uit van een grenswaarde van 900 ppm, ofwel 500 ppm boven het achtergrondniveau van 400 ppm. Vanuit het oogpunt van de virusbestrijding is dat een goede vuistregel: het beperkt het besmettingsgevaar, en vermijdt nadelige effecten voor het comfort of energieverbruik. Daarbij mag men niet uit het oog verliezen dat er geen directe band is tussen CO2-concentratie en virusconcentratie: lucht met 5.000 ppm CO2 bevat daarom niet tien keer zoveel virussen als lucht aan 500 ppm CO2. Vanuit het oogpunt van virusbestrijding moet men ook alleen rekening houden met CO2 van menselijke oorsprong. Een hoog CO2 gehalte kan ook te wijten zijn aan andere bronnen, zoals verkeer. Dat is misschien slecht voor het binnenklimaat, maar het is geen virusrisico. Men moet dus altijd aftoetsen wat het achtergrondniveau van CO2 is, vooraleer conclusies te trekken.

Ventilatie betekent niet noodzakelijk mechanische systemen. Die zijn wel het meest efficiënt, maar door deuren en ramen open te zetten, komt men ook al een heel eind.


Als ventilatie praktisch niet haalbaar is, kunnen luchtreinigers een uitkomst bieden. Hier zijn tal van modellen op de markt, met uiteenlopende werkingsprincipes en even uiteenlopende werkingsgraad. Om het bos nog door de bomen te zien is er een Ministerieel Besluit van 12 mei 2021, dat de voorwaarden bepaalt waaronder luchtreinigers op de markt mogen komen. Er zijn twee grote criteria: ze moeten effectief de lucht zuiveren, en ze mogen geen ander risico voor de gezondheid vertegenwoordigen (bijvoorbeeld door de productie van ozon of NOx). In de praktijk komt daar een derde criterium bij, namelijk de geluidsproductie. Een toestel dat teveel lawaai maakt, zal snel worden uitgeschakeld, zeker in een klas of een kantoor. Bij het gebruik van een luchtreiniger moet men ook aangepaste grenswaarden voor CO2 hanteren: een luchtreiniger haalt wel virussen uit de lucht, maar geen CO2.


Deze bijdragen leverde veel stof tot nadenken op. Reden genoeg om uit te kijken naar de volgende editie.

Door Alex Baumans

www.coolandcomfort.be