EVENEMENTEN  
Install Magazine 939 – april 2017

Seminarie Leefmilieu Brussel over SWW in meergezinswoningen

Efficiënte productie, verdeling en regeling van SWW

Het seminarie van Leefmilieu Brussel ‘Sanitair Warm Water, efficiënte productie, verdeling en regeling in meergezinswoningen’, vond begin februari plaats in de vestiging van Leefmilieu Brussel. Diverse specialisten deelden hun ervaring en gaven antwoord op tal van vragen. In energiezuinige gebouwen vormt SWW-productie en verdeling een uitdaging voor het ontwerp van technische installaties.

Ontwikkelingen in SWW-techniek

Van welk werkelijk verbruik moet men uitgaan voor een goede dimensionering? Wat zijn de mogelijkheden en keuzecriteria voor productiesystemen en verdeelinstallaties? Hoe kan men hernieuwbare energie integreren? Het seminarie ging op deze vragen in aan de hand van theoretische concepten en concrete gevallen.

Met Yvan Piette (RES-ip) als moderator, werden eerst enkele basisprincipes in herinnering gebracht, zoals de definitie van sanitair warm water. Het gaat om drinkwater dat verwarmd wordt voor sanitaire doeleinden (wassen, koken...) Voor alle andere toepassingen spreekt men gewoon van warm water (industrie, niet-drinkbaar water...) SWW moet in voldoende hoeveelheden geproduceerd worden of voorhanden zijn om aan de behoeften te voldoen. Dat is het basisprincipe van SWW-comfort.

In de inleiding werden ook de voornaamste ontwikkelingen ter zake geschetst. Eerst en vooral is er het aandeel van SWW in het totale energieverbruik van een woning. Waar verwarming voordien de belangrijkste post was, daalt het belang ervan ten aanzien van SWW. Vroeger ging men uit van een aandeel van 85-90% voor verwarming en 10-15% voor SWW. Ondertussen rekent men met 40-60% voor verwarming en eveneens 40-60% voor SWW. De verschuiving is aanzienlijk. De opkomst van de wellnesstrend speelt hier een toenemende rol.

Inschatting van de behoeften en impact op de dimensionering

De bijdrage van Bart Bleys (WTCB) ging eveneens in op het toenemende belang van SWW in het totale energieverbruik van gebouwen. Enerzijds daalt het benodigde vermogen voor verwarming, terwijl dat voor SWW systematisch stijgt. Het doel van de uiteenzetting was om te bepalen wat de vereisten zijn voor een SWW-installatie om zo productie en verdeelleidingen correct te dimensioneren. Hij baseerde zich daarvoor op twee meetcampagnes (Tetra-SWW en Instal2020) waar het WTCB nauw bij betrokken was.

Er zijn twee types eisen: comfort en hygiëne. Uitgaande van een behoefte aan SWW in volume (liter/dag) en debiet (piekdebiet en tappatroon), beoordeelt de gebruiker het comfort vooral in functie van de gewenste temperatuur (°C) en debiet (l/min) aan het tappunt en van de aanvaardbare wachttijd. De totale wachttijd bestaat uit de reactietijd van de productie-installatie en de transporttijd in de leidingen.

Het tweede criterium is hygiëne. Drinkwater is een voedingsmiddel waarvoor strenge eisen gelden, onder meer voor legionella. Tussen de teller en het tappunt zijn er tal van factoren in de installatie die de kwaliteit van het water kunnen beïnvloeden. Hier spelen verschillende parameters een rol: de keuze van materialen die al dan niet geschikt zijn voor drinkwater, een ontwerp en dimensionering om stagnatie te vermijden, een hygiënische opstart van de installatie (spoeling) en natuurlijk het juiste gebruik.

Efficiënte SWW-productie

Laurent Vercruysse (ATTB) bracht de Europese ErP-richtlijn in herinnering, die in LOT 2 twee manieren van SWW-productie definieert: doorstroom en accumulatie. Er zijn echter tal van manieren om SWW te produceren (doorstroom, semi-doorstroom, semi-accumulatie en accumulatie). Hij ging in op de voor- en nadelen van de verschillende methodes, om te bepalen welke het meest geschikt was voor welk tapprofiel. Bij een continu verbruik, is een doorstromer het meest aangewezen. Als het verbruik echter enkele pieken op een dag kent, is een semi-doorstromer beter (opwarmtijd 20-30 minuten), of kan men semi-accumulatie overwegen (opwarmtijd 1 tot 1.30 uur).

Laurent Vercruysse overliep daarna de pro’s en contra’s van een gecentraliseerd productiesysteem, aan de hand van twee identieke gebouwen: een standaard appartementsblok met 50 appartementen met elk een individuele ketel en een decentrale productie, en een blok voor sociale huisvesting, eveneens met 50 appartementen maar met een gecentraliseerd systeem van een cascade van twee ketels. Hij sloot af met een overzicht van de mogelijkheden om gebruik te maken van hernieuwbare energie: zonnecollectoren, warmtepompen, warmtepompboilers, multi-energie buffervat... Als men hernieuwbare energie wil toepassen, dringt een gecentraliseerd systeem zich op, tenzij men voor warmtepompboilers zou kiezen. In de ander gevallen kan men een systeem van SWW-productie met woningstations overwegen (Combilus).

Alternatieve systemen voor productie en verdeling

Voortbouwend op de vorige uiteenzettingen bekeek Thomas Leclerq (Matriciel) de verschillende parameters die een invloed hebben op de keuze van het SWW-systeem, met speciale aandacht voor hernieuwbare energie. Het beslissingsproces wordt bepaald door vier parameters: aanwezigheid van een gecentraliseerd systeem, mogelijkheid tot aansluiting op aardgas, dakoppervlakte, elektriciteitsgebruik van de gemene delen. Deze theoretische aanpak werd gevolgd door twee concrete voorbeelden van renovatie en nieuwbouw.

Het probleem van de kostenverdeling

Philippe Deplasse (Bureau Deplasse) pleitte voor een verbruiksmeting voor SWW. Dat is onontbeerlijk voor een goed beheer en controle van het verbruik. De keuze voor de methode hangt uiteraard af van de plaatselijke situatie. Met een GBS (gebouwenbeheersysteem) kan de meting van het verbruik eenvoudiger verlopen. Philippe Deplasse waarschuwde wel voor mogelijke complicaties. Als men een verbruiksmeting plaatst, moet men van bij de opstart ook controleren of alles naar behoren functioneert.

Door Michel Hanoulle

www.leefmilieu.brussels