FEDERATIES
Install Magazine 956 – december 2018
Slimme gebouwen in de nieuwe EPBD
Rehva Brussels Summit focust op intelligente gebouwensystemen
Intelligente systemen worden steeds belangrijker in gebouwentechniek. De herziene richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (EPBD) houdt daar rekening mee en introduceert een specifiek criterium in dit verband: de Smart Readiness Indicator (SRI). De meest recente editie van de Brusselse conferentie van Rehva, de Europese koepelvereniging van HVAC-technici, was dan ook aan dit thema gewijd.
Slimme gebouwen
Rehva is best te beschouwen als de Europese tegenhanger van het Amerikaanse ASHRAE, en overkoepelt nationale sectororganisaties in 27 Europese landen, die een totaal van 100.000 technici vertegenwoordigen. Na het succes van de Brusselse bijeenkomst in 2017 hield de vereniging ook dit najaar een conferentie in de hoofdstad. Dit jaar was het thema ‘Smart Buildings for smart users – implementing the next EPBD.
Smart Readiness Indicator
Op 9 juli van dit jaar werd de herziene EPBD van kracht. Hierin wordt een grotere plaats ingeruimd voor slimme technieken, met onder meer eisen voor automatische gebouwenbeheersystemen, aandacht voor laadinfrastructuur voor elektrische mobiliteit en de zogeheten Smart Readiness Indicator. De SRI kent een score toe aan de mate waarin een gebouw in staat is om soepel in te spelen op wisselende noden en omstandigheden. In tegenstelling tot de score van de energieprestatie, zoals we die in België kennen met een E-peil of EPC, is de SRI niet verplicht. Het is wel bedoeld als een sensibiliseringsinstrument rond de toepassing van intelligente systemen.
In de huidige beoordeling volgens de EPBD bleven de mogelijkheden van ICT in een gebouw onzichtbaar. De introductie van de SRI moet die aspecten onder de aandacht brengen, zodat gebruikers en opdrachtgevers meer geneigd zijn om te investeren in ICT en slimme technieken.
De EPBD vermeldt drie kernaspecten van de SRI. Het moet aangeven
- in hoeverre het gebouw in staat is om een hoge energie-efficiëntie te garanderen, in verschillende gebruiksomstandigheden
- hoe het gebouw efficiënt kan reageren op wisselende noden van de gebruiker
- in welke mate het elektriciteitsgebruik kan worden aangepast aan schommelingen in het distributienet.
Hoe de SRI er precies zal uitzien, moet nog bepaald worden. Men denkt aan een eenvoudige checklist waarbij een gebouw beoordeeld wordt op een aantal criteria. Het uiteindelijke resultaat is dan een gewogen som van die scores. Het moet een gebruiksvriendelijk systeem worden: een inspecteur moet in staat zijn om de SRI van een woning op een uurtje te bepalen. Voor kantoren en grotere gebouwen zullen er uiteraard meer verfijnde systemen ontwikkeld worden.
Vanuit de zaal kwamen er enkele bedenkingen bij deze aanpak. Zo zou het zinnig zijn om ook rekening te houden met de prestaties van de individuele systemen. Het is gemakkelijk om aan te vinken dat er, pakweg een CO2-voeler aanwezig is voor de sturing van het ventilatiesysteem, maar dat zegt nog niets over de nauwkeurigheid van die voeler. Ten tweede kan zo een aanpak ertoe leiden dat men zoveel mogelijk snufjes gaat plaatsen, om zo te scoren in meer categorieën, los van de vraag of die allemaal wel zinnig zijn.
De rol van geautomatiseerde systemen
In de nieuwe EPBD wordt ook veel verwacht van geautomatiseerde gebouwenbeheersystemen (GBS). Zo zouden gebouwen met een performant GBS kunnen vrijgesteld worden van verdere inspecties en controles. Het gaat hier uiteraard in de eerste plaats om grotere kantoorgebouwen. De redenering is dat inspecties grotendeels overbodig zijn, omdat alle werkingsgegevens van het gebouw toch beschikbaar zijn via het GBS.
Hier gaapt een kloof tussen de theorie en de praktijk. In principe is zoiets mogelijk. Naarmate computergeheugen goedkoper wordt, kan men meer en meer gegevens opslaan en ook raadpleging op afstand vormt nu geen enkel technisch probleem meer. Met brute gegevens is men echter niets, zolang men niet weet wat de sensoren precies registreren. Bovendien worden die gegevens pas zinvol als men ze kan analyseren en vergelijken met de gewenste waarden. In de praktijk staan er dan ook vele beheersystemen te draaien met gebrekkige of zelfs helemaal geen registratie en analyse van gegevens.
Dat wil ook zeggen dat er een enorm besparingspotentieel is door een betere sturing. Door een analyse van de werking en een optimalisatie van de instellingen kan men heel wat energiewinst realiseren. Meestal ligt de terugverdientijd rond de één à twee jaar. Het bestand wordt echter geschat op meer dan 150.000 gebouwen met een dergelijk GBS in de EU. Het is dus een hele uitdaging om die allemaal te moderniseren.
Stefan Plesser (TU Braunschweig) pleitte hier voor een controle en certificering door een onafhankelijke derde partij om te verzekeren dat de installatie en het GBS wel werken zoals het hoort. Hij betreurde ook dat er geen systematische procedure is voor bij de ingebruikname of verkoop van een gebouw waarbij dergelijke aspecten gecontroleerd worden en de nieuwe gebruikers de nodige informatie krijgen. Het resultaat is dat vele gebruikers niet vertrouwd zijn met de functies van het GBS, en dan ook niet weten hoe hun gebouw presteert. Ideaal gezien zou een GBS voorzien moeten zijn van zelfdiagnosefuncties, zodat het de beheerder kan attent maken op mogelijke defecten of afwijkingen. Dat is nu nog eerder een uitzondering.
Aanpasbare gebouwen
Slimme gebouwen kunnen ook hun verbruik aanpassen in functie van het elektriciteitsaanbod. Het probleem is bekend: hernieuwbare energie is niet altijd voorhanden. Door het energieverbruik van gebouwen te sturen, kan men ervoor zorgen dat de pieken in de vraag beter overeenstemmen met de pieken in het aanbod. In het kader van IEA Annex 67 wordt daar onderzoek naar gedaan. Uit de resultaten die voorgesteld werden door Bart Bleys van het WTCB blijkt dat er interessante mogelijkheden zijn. Men moet hierbij rekening houden met het dynamisch gedrag van het gebouw. Zo kan men vooruit lopen op een verwachte warmtevraag door het gebouw al op temperatuur te brengen wanneer er hernieuwbare energie beschikbaar is, nog voor de warmtevraag optreedt. Het effect wordt groter door te werken op grotere schaal dan het individuele gebouwen en netwerken te creëren op wijkschaal.
Gebouwen voor gebruikers
Herhaaldelijk werd er ook op gewezen dat de gebruiker centraal moet staan. Uiteindelijk zijn het niet de gebouwen die energie verbruiken, maar de gebruikers. Voor een organisatie of bedrijf dat een gebouw betrekt, is de energiekost ook maar van secundaire interesse, zij kijken vooral naar hun kernactiviteit. Bij het ontwerpen van HVAC-systemen moet men dan ook niet uitgaan van puur installatietechnische aspecten, maar moet men ervoor zorgen dat de gebruikers een goed binnenklimaat hebben. Dat zorgt voor tevredenheid van de bewoners en dus ook meer productiviteit. Beheerders zijn gevoelig voor deze argumenten. Gebruikerstevredenheid is dus een goede hefboom om opdrachtgevers te overtuigen om te investeren in kwalitatieve klimaatsystemen.
Door Alex Baumans











