EVENEMENTEN  
Install Magazine 955 – november 2018

De kloof tussen theorie en realiteit

Pixii wijdt expert day aan ‘performance gap’

Het beoordelen van de energieprestatie van gebouwen is een vak op zich geworden. In België hebben we de EPB-berekeningsmethode, die uitvoerig de energie-impact van allerhande bouwbeslissingen nagaat. Daarnaast worden er nog tal van andere berekeningen gemaakt om de mogelijke besparingen van ingrepen en renovaties in te schatten. Ook de overheidscommunicatie rond energiebesparing maakt graag van dit soort cijfers gebruik. Al die berekeningen zijn echter niet vrijblijvend: ze zijn ingegeven door de energietransitie, en zijn een belangrijke maatstaf om te weten of we al dan niet op koers zijn. Maar stemmen die cijfers wel overeen met de realiteit?

De ‘Performance Gap’

Het is algemeen bekend dat het gemeten verbruik van een gebouw zal afwijken van het voorspelde verbruik. Dit fenomeen staat bekend als de ‘Performance Gap’. Nu de berekende energieprestatie echter meer en meer doorweegt in de keuzes die we maken, is het van belang om te weten hoe groot die afwijking is, en hoe we tot betere inschattingen kunnen komen. Dat is niet alleen nodig om de werkelijke opbrengst van een investering te bepalen. Als we het energiebeleid baseren op de verkeerde cijfers, zouden we over een aantal jaren kunnen merken dat we massaal hebben geïnvesteerd in technieken die hun beloften niet waarmaken. We hebben misschien een laag E-peil, maar besparen we daarom echt energie?

Om daar wat meer duidelijkheid in te brengen, organiseerde Pixii, het kennisplatform rond energieneutraal bouwen (voorheen bekend als Passiefhuisplatform) een expert day rond dit thema, in samenwerking met de Universiteit Gent. We geven enkele conclusies van de dag.

Nood aan verfijndere modellen

Uit metingen blijkt dat er wel een verband is tussen het verbruik en de score volgens de energieprestatie, maar dat dit minder sterk is dan we wel zouden willen. Met name het verbruik van woningen met slechte energieprestatie wordt sterk overschat, terwijl woningen met een goede score integendeel meer energie verbruiken dan verwacht. Arnold Janssens (UGent) haalde het voorbeeld aan van een woning van 1901, die voor de verbouwing volgens de EPB-berekening een warmtebehoefte zou hebben van 90.000 kWh per jaar. Volgens diezelfde berekening zou men het verbruik tot ongeveer een vijfde kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag het verbruik echter rond de 10.000 kWh per jaar. Na de renovatie werd er nog altijd winst geboekt, maar lang niet zoveel als de daling in het E-peil liet uitschijnen.

Een fundamenteel probleem bij de beoordeling van warmteverliezen is dat men uitgaat van een statische toestand waarbij zowat heel de woning op temperatuur wordt gehouden. In de praktijk komt dat echter weinig voor. Zeker in oudere woningen worden alleen enkele ruimtes verwarmd, en de rest hooguit vorstvrij gehouden. Door bij de berekening te werken met een verwarmde en een niet-verwarmde zone zou men meer realistische resultaten kunnen verkrijgen.

Hetzelfde fenomeen speelt ook bij de warmteterugwinning door balansventilatie. Als de afzuig in een onverwarmde ruimte gebeurt, pakweg een toilet of een hal, dan is de temperatuur van de afvoerlucht lager dan voorzien, met als gevolg dat de verse lucht minder wordt opgewarmd. Bovendien wordt de verse lucht vaak ingeblazen in niet-verwarmde kamers, zoals slaapkamers. Dat betekent dat de verwarmde ruimtes hun lucht uit de koele ruimtes krijgen, zodat het totale effect een stuk lager is dan voorzien.

Waaraan ligt het?

Als het gemeten verbruik niet overeenstemt met het berekende, dan is de eerste verdachte de gebruiker. Het gebruikersgedrag kan inderdaad tot aanzienlijke schommelingen in het verbruik leiden. Marc Delghust haalde een studie aan waarbij een oudere woonwijk vergeleken werd met een recente. De oudere woningen verbruikten wel gemiddeld meer dan de nieuwe, maar er waren grote individuele verschillen. De zuinigste oude woningen verbruikten zelfs minder dan de grootverbruikers onder de nieuwe woningen. Bewonersgedrag kan dus het effect van een renovatie volledig teniet doen.

Het meest beruchte bewonersgedrag is het zogenaamde ‘rebound effect’. Kort gezegd komt dat erop neer dat als de energiekost daalt, gezinnen zich wat meer comfort gaan veroorloven. De thermostaat wordt een graadje hoger gezet, men gaat de badkamer wat meer verwarmen... Dat speelt zeker een rol in het hogere gemeten verbruik bij energiezuinige woningen, maar er zijn ook andere, meer installatietechnische aspecten.

In het bovenvermeld onderzoek bleek namelijk dat in de meeste oude woningen de verwarming werd verlaagd als er niemand thuis was, terwijl een groot deel van de nieuwe woningen constant op comforttemperatuur werd gehouden. Dat had te maken met de verwarmingsinstallatie. De oude woningen hadden een snel reagerend systeem met radiatoren en een gasketel, terwijl de nieuwe uitgerust waren met een warmtepomp en vloerverwarming. De inertie van dat laatste was zo groot dat de meeste bewoners het de moeite niet waard vonden om een nacht- of dagverlaging in te stellen.

De analyse van het verbruik van de ventilatiesystemen legde een ander pijnpunt bloot. Ook hier waren er grote verschillen, terwijl het om gelijkaardige installaties ging, die op een gelijkaardige manier gebruikt werden. De variaties waren dus volledig te wijten aan de kwaliteit van de uitvoering.

Waar is het E-peil goed voor?

Er zijn dus verschillende redenen waarom het werkelijke verbruik afwijkt van het berekende

- de standaard modellen zijn niet realistisch genoeg

- het gebruikersgedrag heeft een grote invloed

- de uitvoering van de woning en de installatie is niet altijd zoals het hoort.

In het geval van het E-peil komt daar nog een specifiek vierde punt bij: de standaardwaarden zijn veel te ongunstig. Een blowerdoortest leidt bijvoorbeeld zo goed als altijd tot een veel betere score qua luchtdichtheid, omdat men uitgaat van een bijzonder slecht presterend basisgeval.

VEA verdedigde deze aanpak vanuit de bedoeling van de EPB-reglementen. Die zijn immer geen ontwerpinstrument, maar dienen ervoor om aandacht van de bouwheer te vestigen op energiezuinig bouwen. Wie voor een gemakkelijkheidsoplossing kiest, wordt afgestraft door ongunstige standaardwaarden. Daarom ook wordt er geen rekening gehouden met gebruikersgedrag. Omdat het om een wettelijke voorschrift gaat, moet het E-peil een objectieve basis hebben. Het geeft het potentieel aan van een woning om energiezuinig te zijn en zegt bewust niets over het werkelijke verbruik. Men mag het E-peil dan ook niet gebruiken als een ontwerpprogramma of aangrijpen om uitspraken te doen over werkelijke verbruiken.

Een beter model voor werkelijk verbruik

Ideaal gezien wordt de EPB score dus aangevuld met een meer praktijkgerichte aanpak. Aan de UGent is een project hierrond opgestart: SBO-NEPBC, dat zo een beoordelingsinstrument wil ontwikkelen. Dat zou zowel het beleid als de ontwerppraktijk ten goede komen.

Door Alex Baumans

Figuren: Pixii

www.pixii.be