WETGEVING
Install Magazine 947 – februari 2018
Is het nieuwe E-peil oogverblinding?
Een blik op de nieuwe EPB-regels
Het streefdoel is bekend: in 2021 moeten we uitkomen op BEN-gebouwen, wat in de EPB-reglementering overeenkomt met E30. Daartoe heeft de Vlaamse overheid een aanscherpingspad van de eisen uitgetekend om dat peil in stappen te bereiken. Begin dit jaar is een nieuwe stap gezet, met strengere eisen en wijzigingen in de berekening van het E-peil. Energiedeskundige Luc Dedeyne heeft de regeling geanalyseerd en geeft een kort overzicht met bedenkingen.
Nieuwe eisen
Eerst en vooral wordt het maximale E-peil verstrengd. Voor niet-woongebouwen (EPN) hangt dit samen met de functie. Voor woongebouwen (EPW) gaat het maximum van E50 naar E40. Nu mag 10 punten niet veel lijken, in vergelijking met E50 is het toch een verstrenging met 20%. Meer dan ooit zal elk puntje in de berekening tellen. Een voordeel is wel dat de berekeningsmethode gewijzigd is, zodat verwarmingsystemen er iets gunstiger uitkomen. Voor hetzelfde project wint men enkele punten met een gasketel, en is de winst zelfs iets groter met een warmtepomp.
De andere grote nieuwigheid is de invoering van het S-peil om de bouwschil te beoordelen, in plaats van het K-peil. Waar het K-peil een maat was voor de transmissieverliezen van de bouwschil, houdt het S-peil rekening met meer factoren, zoals zonnewinsten en een eventuele bijdrage van zonwering. Tevens worden de infiltratieverliezen door kieren en spleten in rekening gebracht. Eveneens nieuw is dat niet langer gekeken wordt naar de compactheid maar naar de vormefficiëntie. Kijken naar de compactheid bevoordeelt immers grote gebouwen: bij een gelijke vorm zal een groot gebouw relatief meer volume insluiten dan een klein gebouw. Nu wordt het verliesoppervlak van een gebouw vergeleken met dat van een bol van een gelijk volume, zodat de afmetingen geen rol meer spelen. Tenslotte worden niet alleen de verliezen naar de omgeving en naar aangrenzende onverwarmde ruimtes bekeken, maar ook die naar aangrenzende verwarmde ruimtes.
Een effect van die meer gedetailleerde aanpak is dat het S-peil bepaald wordt op het niveau van de wooneenheid en niet langer op dat van het gebouw. In een appartementsgebouw, bijvoorbeeld, zal elk appartement een eigen S-peil hebben, in functie van de vorm, oriëntatie, verliesoppervlak enzovoort.
Grenzen van een berekeningsmethode
Dat alles maakt het S-peil een betere maat voor de thermische prestaties van een gebouw dan het K-peil. Het probleem is dat de lat veel te hoog wordt gelegd. Voor 2018 wordt S31 opgelegd (31 kWh per vierkante meter per jaar) om te dalen naar S28 in 2021. Hiermee zit men echter ver voorbij het economisch zinvolle. Feit is dat de woningen volgens de huidige normen al erg energiezuinig zijn. In een simulatie van een eengezinswoning met E-peil van E48 en een kleine PV-installatie komt Luc Dedeyne uit op een theoretische jaarkost van verwarming van 605 euro (winsten van PV inbegrepen). Die som is meteen het economisch plafond van elke mogelijke besparing. Door bijkomende kosten te doen ten belope van duizenden euro’s, kan men hooguit enkele tientallen euro per jaar uitsparen. Berekende terugverdientijden stijgen dan vlot boven de 100 jaar uit.
Dergelijke strenge regels kunnen contraproductief uitvallen. Ze verhogen de bouwkost sterk voor weinig direct of indirect voordeel voor de gebruiker, terwijl de nieuwbouw het al moeilijk heeft. Op twee jaar tijd is het volume van nieuwbouwwoningen gehalveerd. Dat is uiteraard niet te wijten aan de kosten voor isolatie. Anderzijds zullen maatregelen die de bouwkost nog maar eens verhogen, niet bijdragen tot een relance van de sector.
Bovendien houden dergelijke maatregelen ook risico’s voor de woonkwaliteit is. Een woning moet leefbaar en aangenaam zijn; niemand wil in een thermosfles wonen. Door vast te houden aan een streng S-peil dwingt men architecten en bouwers in een strikt keurslijf van methoden, vormgeving en materialen. Bovendien gaat men dan voorbij aan andere aspecten, zoals bijvoorbeeld de brandveiligheid of het ecologisch gehalte van de gebruikte isolatiematerialen. Men ontwerpt best een woning in functie van parameters zoals woonkwaliteit en veiligheid en niet alleen om te voldoen aan een rekenmethodiek.
Tenslotte kan men zich de vraag stellen wat het praktische effect op het energieverbruik zal zijn. Naarmate het verbruik voor verwarming afneemt, groeit het relatief belang van SWW en andere verbruiken die verbonden zijn aan de bewoners, zoals vraaggestuurde ventilatie. Een woning met een lager E-peil zal dus niet evenredig zuiniger zijn. Een lage E-score ziet er goed uit op papier, maar heeft hoe langer hoe minder te maken met de werkelijke uitstoot van een gebouw.
Als men echt de uitstoot wil verminderen, is een vorm van CO2-taks een beter idee. Dat geeft ontwerpers en fabrikanten een grotere vrijheid qua technieken. Omdat de kosten direct gerelateerd zijn aan de uitstoot zullen de meest effectieve methoden vanzelf naar voor komen. Misschien nog belangrijker is dat dit ook een sturend effect zal hebben op het gedrag van de gebruiker. We mogen niet vergeten dat een E-peil in grote mate een fictie is, omdat het een theoretische waarde is, zonder rekening te houden met de gebruiker. In de praktijk geeft de gebruiker echter de doorslag. Met een CO2-taks kan men daar net op inspelen.
Meer mogelijkheden voor warmtepompen
Van meer direct belang voor onze sector is de nieuwe berekeningswijze voor verwarmingstoestellen. Waar toepasselijk mogen de gegevens volgens ecodesign gebruikt worden. Voor ketels zijn dat toestellen die onder EU verordening 813/2013 vallen (ook bekend als Lot 1 en Lot 2). Dit zijn de meeste gangbare olie- en gasketels tot een vermogen van 400 kW. De voornaamste uitzondering zijn ketels op vaste brandstof of op biomassa. Die laatste categorie omvat ook eventuele ketels op biogas of plantaardige olie. Als men ecodesign-waarden niet kan toepassen, geldt de berekeningsmethode die voorheen gangbaar was.
Voor warmtepompen zijn er meer wijzigingen. Uiteraard kan men ook hier de ecodesign-gegevens toepassen. Voor warmtepompen met water als afgiftesysteem zijn dat eveneens de toestellen die vallen onder EU verordening 813/2013. Voor lucht-lucht warmtepompen geldt dan EU verordening 206/2012. Eventuele andere warmtepompen moet men dan invoeren volgens de bestaande methode.
Een bijkomende complicatie voor warmtepompen is dat de rekenmethode gebruik maakt van een specifieke factor: het seizoensrendement met het toestel ingeschakeld, bij gemiddelde klimaatomstandigheden (SCOP on). Deze gegevens zijn doorgaans niet te vinden op de productfiche van de fabrikant. De waarde moet dus berekend worden aan de hand van een speciaal rekenblad van VEA.
Nieuw is eveneens dat de software meer types warmtepomp opneemt dan de bekende elektrisch aangedreven toestellen met compressorcyclus. Zo is er nu een procedure voor ‘gassorptiewarmtepompen’, een categorie die gasaangedreven warmtepompen volgens het absorptie- en het adsorptieprincipe werken. Omdat deze toestellen onder EU verordening 813/2013 vallen, kunnen de ecodesign-gegevens gebruikt worden.
Tenslotte zijn er nu ook warmtepompen met een gasmotor in de berekeningsmethode opgenomen. Dit zijn toestellen met een compressorcyclus, waarbij de compressor echter niet aangedreven wordt door een elektrische motor maar door een verbrandingsmotor. Voor deze toestellen gaat men uit van een vast rendement voor ruimteverwarming van 1,2.
Zonneboilers
Eerder was er al beroering ontstaan in de sector van zonnethermie omdat thermische panelen praktisch gesproken uit de boot zouden vallen bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie. Dat is nu rechtgezet: voor thermische zonnepanelen volstaat een apertuuroppervlakte van 2,5% van het bruikbare woonoppervlakte, wat tot meer realistische cijfers leidt.
De invoering van de gegevens in de berekeningssoftware is ook vrij eenvoudig. De basisparameter is de apertuuroppervlakte, aangevuld met rendement en verlies van de collector, en de opstellingshoek. Er is ook een vereenvoudigde procedure waar men alleen het type collector moet invullen (vlakke plaat, heatpipe, CPC). Tenslotte wordt ook de manier van opslag en de pompenergie in rekening gebracht.
Als we kijken naar de rendementen, moeten we toch vaststellen dat het effect van een zonneboiler eerder krap wordt ingeschat. In een rekenvoorbeeld komt Luc Dedeyne voor een eengezinswoning met een apertuuroppervlak van ongeveer 7 m2 slechts uit op een dekking van het SWW-verbruik van 60% in de zomermaanden. Dat lijkt eerder een onderwaardering van de werkelijke opbrengst. Wie een zonneboiler plaatst, haalt dus vrij gemakkelijk de eis voor het minimum aandeel hernieuwbare energie, maar kan in de problemen komen met het E-peil. Daar staat tegenover dat het rendement van PV-panelen in de huidige rekenmethode verhoogd is. Het basisrendement gaat van 75% naar 78%. Tot nader order blijven PV-panelen dus de meest praktische manier om E-punten te winnen.
Door Alex Baumans












