WETGEVING
Install Magazine 945 – november 2017
Reglementering EPB-werken in Brussels gewest
Een overzicht van de wijzigingen die op 1 juli werden ingevoerd
Leefmilieu Brussel organiseerde begin oktober een seminarie over de reglementering EPB-werken. Op basis van een studie van de sector werden er een aantal wijzigingen doorgevoerd aan de Brusselse EPB-regels, die op 1 juli 2017 van kracht werden. De ochtendsessie was gewijd aan de redenen voor deze modificaties, de inhoud van het ‘Richtlijnenbesluit’, de wijzigingen in de EPB-berekeningsmethode en een toelichting bij de verdeling van de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen in een bouwproject.
Waarom verandert de EPB?
Jean-Henri Rouard (Leefmilieu Brussel), de moderator van de voormiddag begon met een wijsheid van Boeddha: het enige onveranderlijke is de voortdurende verandering. Hoewel iedereen het erover eens is dat reglementen best zo stabiel mogelijk blijven, moeten ze toch constant evolueren. Dat betekent natuurlijk extra inspanning om op de hoogte te blijven, de nieuwigheden en modificaties te begrijpen, deel te nemen aan opleidingen, software aan te passen... Waarom veranderen de rekenmethodes en procedures constant? Op die vraag wilde de eerste sessie een antwoord bieden.
Het basisgegeven, wat trouwens voor alle reglementen geldt, is als volgt: vooruitgang betekent nu eenmaal verandering. De wijzigingen zijn er om de EPB-reglementen beter te maken: nieuwe systemen en technische innovatie worden geïntegreerd, de berekeningen worden nauwkeuriger, er kunnen meer projecten opgenomen worden, de software wordt stabieler en gebruiksvriendelijker... Zodra de partners uit de sector die voordelen zien, zijn ze snel overtuigd om mee te stappen in de ontwikkelingen.
De wijziging van de EPB-regels in Brussel kwam er voornamelijk om vier redenen:
- de vraag van de sector
Na een consultatie van de sector en een grote evaluatie van de EPB in 2015 werden er een aantal aanbevelingen gedaan. Zo werd het concept van werken aan de technische installaties duidelijker gesteld, evenals de notie van ‘met nieuw gelijkgesteld’. Tevens werd duidelijk dat de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen duidelijker moest worden afgelijnd (architect, EPB-adviseur, aangifteplichtige...)
-technologische ontwikkeling
De techniek staat niet stil, en de EPB-regels moeten absoluut met die ontwikkelingen rekening houden. Na de introductie van de EPB-eisen, met name qua ventilatie, zijn er nieuwe technieken op de markt gekomen, die natuurlijk hun plaats moeten vinden in de berekeningsmethode. We denken bijvoorbeeld aan vraaggestuurde ventilatie, maar ook aan warmtepompen of de combilus methode.
- omzetting van Europese richtlijnen
BEN-gebouwen, de ecodesign-richtlijn... dat alles was nog niet opgenomen in de oorspronkelijke EPB. Daar moest aan verholpen worden.
- verbeterde energieprestatie van gebouwen
Door het toenemende isolatiepeil, is het relatief belang van de verschillende energieverbruiker gewijzigd. Het aandeel van verwarming was voorheen overwegend, maar heeft aan belang ingeboet tegenover warm-waterproductie. In 2015 was dat laatste goed voor 34% van het primaire energieverbruik, tegenover een kleine 30% voor verwarming. Daar moet ook rekening mee gehouden worden.
Bovendien besloot het Brussels Gewest om sommige aspecten van de rekenmethode te verbeteren, bijvoorbeeld op het vlak van SWW (rendement van opslag en distributie, isolatie van de kringen...) en het verbruik van hulpenergie.
Nieuwe eisen voor niet-woongebouwen
David Deweer van Leefmilieu Brussel ging dan in op de context en implicaties van het Besluit van 26 januari 2017, bekend als het Richtlijnenbesluit. Dat bepaalt namelijk de richtlijnen en criteria voor de berekening van de energieprestatie van de EPB-eenheden. Hij toonde aan hoe de EPB-regels rekening hielden met de verwachtingen van de sector, en ging in op de grotere nauwkeurigheid van de berekeningsmethode. De hoofdmoot van zijn voordracht was echter gewijd aan de uitbreiding van de eis voor een maximaal verbruik aan primaire energie tot niet-woongebouwen op 1 juli 2017. Sinds 2015 waren alleen kantoren en scholen als tertiaire gebouwen onderworpen aan een dergelijke eis. Vanaf nu zijn dat alle types van tertiaire gebouwen: winkels, rusthuizen, sportcentra...
Ontwikkeling van de rekenmethode sinds 1 juli 2017
Ingenieur-architect Pierre Willem (écorce nv) behandelde de evolutie van de rekenmethode. Over het algemeen kan men zeggen dat er op 1 juli 2017 werd overgeschakeld op een meer verfijnde methode. Zo werd de berekening het verbruik van hulpenergie verbeterd (pompen, ventilatoren), evenals dat voor SWW (rendementen volgens ecodesign). Tevens werden, zoals reeds gezegd, diverse types van niet-woongebouwen geïntegreerd. Pierre Willem ging in op de indeling van gebouwen in 18 functionele delen, waarvan elk een apart profiel qua energieverbruik heeft. Hij besprak de principes om tot een referentiewaarde voor een niet-woongebouw te komen. Tenslotte legde hij uit hoe dat alles vertaald werd in de berekeningsmethode, anders gezegd, de EPB-software.
Ervaringen in Vlaanderen en de verantwoordelijkheid van verschillende partijen
Lore Stevens van het Vlaamse Energieagentschap deelde de Vlaamse ervaringen met de invoering van een energieprestatie-eis voor niet-woongebouwen. De ochtendsessie werd afgesloten door Jean-Nicolas Pardon en Guy Block die uitlegden wat nu praktisch en concreet de verplichtingen waren voor de diverse betrokken partijen (EPB-adviseurs, architecten, aangifteplichtige...) met aandacht voor wederzijdse communicatie en samenwerking.
Door Michel Hanoulle













