EVENEMENTEN  
Install Magazine 966 – december 2019

De weg naar duurzame gebouwen

Rehva Brussels Summit 2019

Rehva is de koepelorganisatie van de nationale verenigingen van HVAC-technici. In totaal vertegenwoordigt de vereniging ruim 120.000 ingenieurs uit 27 landen. Voor België is de vereniging Atic lid. Elk jaar houdt Rehva een conferentie in Brussel over Europese thema’s van gebouwentechniek. Dit jaar was dat onder het motto ‘Delivering healthy, zero-carbon buildings by 2050?’

Een prioriteit voor de Europese Commissie

Begin november, toen de conferentie gehouden werd, was het nog niet helemaal duidelijk hoe de nieuwe Europese Commissie eruit ging zien. Vast staat wel dat de energietransitie een centraal punt van het beleid wordt. Ursula von der Leyen, de toekomstige voorzitter van de Europese Commissie, heeft onder meer als doel gesteld dat Europa het eerste klimaatneutrale continent moet worden. Gebouwen spelen een cruciale rol in die ambitie. Volgens de laatste cijfers die de commissie hanteert, zouden gebouwen zelfs verantwoordelijk zijn voor 40 tot 50 van de CO2-uitstoot in Europa. De meeste bestaande gebouwen zijn niet bijzonder energie-efficiënt; er is dus een grootschalige renovatiecampagne nodig. Belangrijk daarbij is wel dat energie-efficiëntie niet ten koste mag gaan van een gezond binnenklimaat. Uiteindelijk dienen gebouwen om een aangename leefomgeving te creëren.

De uitdaging

Dat roept echter twee vragen op, namelijk wat is duurzaam en wat is een goed binnenklimaat? Het vraagteken in de titel van de conferentie was goed gekozen, want voor geen van beide aspecten bestaat er een sluitende definitie, laat staan een objectieve beoordelingsmethode. Wat duurzaamheid betreft, hebben we in het kader van de energieprestatierichtlijn al wat ervaring met het beoordelen van energie-efficiëntie. Die methode schiet echter tekort, omdat het maar met een beperkt aantal aspecten rekening houdt. De energie die nodig is om het gebouw op te trekken en om de bouwmaterialen te produceren, valt bijvoorbeeld buiten te berekening. De mogelijkheden tot recyclage komen al evenmin aan bod. De impact van een gebouw kan erg verstrekkend zijn. Zo is de plaats van een gebouw bepalend voor het type verkeer dat het aantrekt: als het gemakkelijk bereikbaar is met het openbaar vervoer zal het minder uitstoot veroorzaken dan een waarvoor men altijd de auto moet nemen. Bovendien is de huidige beoordeling maar een momentopname. Gebouwen blijven echter tientallen jaren lang staan, dus moet men kijken naar het effect over de hele levensduur. Men gaat dus af van een sterk geconcentreerde kijk op bepaalde technieken, naar een meer globale evaluatie over de hele levensduur van het gebouw.

Daarnaast streven we naar gebouwen met een aangenaam en gezond binnenklimaat. Iedereen wil een goed gebouw neerzetten. Voor commerciële gebouwen is dat van direct economisch belang omdat werknemers die zich goed voelen, beter presteren en minder afwezig zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor woningen. Energie-efficiëntie en binnenklimaat zijn nauw verweven. Als de gebruikers zich niet comfortabel voelen, zullen ze zelf aan de situatie verhelpen, met bijkomende verwarming, koeling en ventilatie. Het resultaat is dikwijls dat het uiteindelijke energieverbruik niets meer te maken heeft met het oorspronkelijk geplande.

Een litanie van labels

Om gebouwkwaliteit en duurzaamheid tastbaar te maken, wordt er volop gewerkt aan labels en certificeringsystemen. Sommige, zoals TAIL of SRI willen een bepaald aspect onmiddellijk inzichtelijk maken. SRI staat voor Smart Readiness Indicator, en is een onderdeel van de vernieuwde richtlijn voor energieprestatie van gebouwen (EPBD). Het Vito is een drijvende kracht in de ontwikkeling van dit label. De SRI moet het gebouw een score geven in hoeverre de gebouwensystemen slim kunnen inspelen op wisselende omstandigheden en behoeften, en of het gebouw kan functioneren in de slimme energienetwerken van de toekomst.

TAIL is een project van label om de kwaliteit van het binnenklimaat aan te duiden. De vier letters staan daarbij telkens voor een aspect: T voor thermische behaaglijkheid, A voor akoestisch comfort, I voor de binnenluchtkwaliteit en L voor de verlichting. Elk aspect krijgt een kleurcode van groen tot rood, en de algemene score wordt uitgedrukt als een Romeins cijfer van I tot IV.

Andere certificeringen, zoals Levels of DGNB, gaan veel verder en proberen de totale milieu-impact over de hele levenscyclus van een gebouw in kaart te brengen. Hier zijn uiteenlopende benaderingen mogelijk. Beperkt men zich tot enkele sleutelfactoren en hanteert men eerder een checklist, of gaat men in detail na wat het energieverbruik van elk aspect is, tot en met de uitstoot van de productie van de zonnepanelen? Het spreekt vanzelf dat de tweede aanpak meer informatie oplevert, maar aanzienlijk moeilijker en duurder is om uit te voeren.

Hoe investeringen aantrekken?

De uiteindelijke bedoeling van al die labels is om tot een gemeenschappelijke taal te komen, waarop het beleid en investeringen gebaseerd kunnen worden. Aan de hand van die klassen kunnen investeerders of beleidsmakers dan meteen zien wat de prestaties van een gebouw zullen zijn. Men kan zich echter afvragen in hoeverre de sector gebaat is met een wildgroei aan beoordelingsmethoden die allemaal andere aspecten meten met andere procedures en telkens aparte scores opleveren. De doorsnee burger heeft doorgaans weinig interesse voor de technische aspecten van gebouwen, en het valt te vrezen dat een overvloed aan cijfers en afkortingen eerder verlammend zal werken dan dynamiserend.

Communicatie tussen technici en investeerders blijft een problematisch punt. Technici worden zelden betrokken bij investeringsbeslissingen, en als er al contact is, dan spreken beide partijen niet dezelfde taal. Het is dan cruciaal dat de technici een afdoend antwoord kunnen geven op de bezorgdheden van de investeerders, bijvoorbeeld wat de risico’s van bepaalde keuzes betreft. Uiteindelijk beslissen de financiers of een project doorgaat of niet. Hoe veelbelovend een project ook kan zijn, als het niet in het investeringsplaatje past, zal het er nooit komen.

Drinkwater en ecodesign

Tenslotte werd er ook een tip van de sluier opgelicht over toekomstige richtlijnen. Een daarvan is een mogelijke update van de eisen voor ecodesign en het energielabel voor verwarming en warmwatertoestellen. Het is nog veel te vroeg om te zeggen hoe dat er precies uit zal zien. Een interessant voorstel is om nu al een H2-ready label in te voeren voor gastoestellen. Als waterstof, zoals verwacht, een grotere rol zal spelen in het verwarmingslandschap van de toekomst, dan moet de consument best nu al weten of een nieuw toestel daar al geschikt voor is. Zo kan hij kiezen voor een toekomstgerichte oplossing en vermijden we dat de invoering van waterstof belemmerd wordt omdat er eerst massaal verbrandingstoestellen moeten worden vervangen.

Een ander project is de herziening van de drinkwaterrichtlijn. Hier verwacht de industrie veel van. Op dit ogenblik zijn de kwaliteitseisen voor materiaal dat in contact komt met drinkwater nog nationaal bepaald binnen de EU. Daardoor is er een veelheid van reglementen, met strenge criteria in sommige landen, en nauwelijks regels in andere. Een geharmoniseerde regeling zou de interne markt ten goede komen.

Door Alex Baumans

www.rehva.eu